Deze pagina is machinaal vertaald.

Het doorverbinden van gesprekken

Om gesprekken met andere eindapparaten in IP-netwerken te kunnen voeren, moet het apparaat aan een contactpersoon in het adresboek worden toegewezen.

Verbinding met 2N-apparaten in het lokale netwerk
    1. Zorg ervoor dat op beide 2N-apparaten de functie ' ' (Lokaal bellen) is ingeschakeld.Lokale gesprekken

    2. Klik op Apparaten zoeken boven de tabel. Vink in de lijst het apparaat aan waarmee u verbinding wilt maken. Nadat u het apparaat hebt toegevoegd, wordt het bewerkingsvenster geopend.

    3. Stel in de bewerking het volgende in:

      • virtueel nummer, indien u het gesprek start door het nummer in te voeren op het numerieke toetsenbord

      • basisinformatie en toegangsopties voor gebruikers van het apparaat

    4. Indien u gesprekken wilt voeren met behulp van een knop op het apparaat, dient u de betreffende gebruiker toe te wijzen aan een sneltoets in Bellen > Kiezen, zie Sneltoetsen.

    5. Voor een succesvolle gespreksverbinding dient op het gebelde 2N-apparaat de functie Lokaal gesprek te zijn ingeschakeld.Lokale gesprekken

    Verbinding met andere apparaten
    1. Maak een nieuw contact aan door te klikken op Gebruiker toevoegen of open de details van een bestaand contact.

    2. Door op het potloodpictogram naast de parameter Telefoonnummer pen icon in 2N OS te klikken, opent u de bewerkingsmodus voor het telefoonnummer.

    3. Voer in het veld Bestemming het adres in van de oproepbestemming waarnaar het gesprek moet worden doorgeschakeld. Vul het IP-adres of de SIP-URI van de bestemming in in de vorm gebruikersnaam@host (bijv.: [email protected] of [email protected]). Voor lokale gesprekken vult u het ID van het 2N-apparaat in dat wordt weergegeven in het menu Lokale gesprekken in de webconfiguratie-interface van het gebelde apparaat.Lokale gesprekken

    4. Stel in de bewerking het volgende in:

      • virtueel nummer, indien u het gesprek start door het nummer in te voeren op het numerieke toetsenbord

      • basisinformatie en toegangsopties voor gebruikers van het apparaat

    5. Indien u gesprekken wilt voeren met behulp van een knop op het apparaat, dient u de betreffende gebruiker toe te wijzen aan een sneltoets in Bellen > Kiezen, zie Sneltoetsen.

    6. Om een gesprek succesvol te kunnen voeren, moet op het apparaat van de gebelde persoon de dienst die de overdracht van het gesprek verzorgt, zijn ingeschakeld.

    Tip

    • Aan elke gebruiker kunnen maximaal drie telefoonnummers worden toegewezen. Indien de gebruiker op het eerste telefoonnummer niet reageert, wordt het gesprek doorgeschakeld naar het volgende nummer. Als alternatief is het mogelijk om het gesprek naar meerdere telefoonnummers tegelijk te sturen. Het gelijktijdig bellen van meerdere telefoonnummers van één gebruiker kan worden ingesteld door het vakje Bellen in de groep tussen de opgegeven telefoonnummers aan te vinken.

    • Indien alle telefoonnummers van de gebruiker niet bereikbaar zijn, is het mogelijk om het doorschakelen van oproepen in te stellen naar Vertegenwoordiger.

    • Gebruikers kunnen worden gegroepeerd in oproepgroepen. De naam van de oproepgroep wordt weergegeven in het telefoonboek op het display van het apparaat. De oproepgroep kan worden toegewezen aan een sneltoets. Indien een uitgaande groepsoproep moet worden beëindigd bij de eerste weigering door een van de gebelde gebruikers, dient deze functie te worden ingesteld in Oproepen > Algemene instellingen.Algemene instelling

    Was deze pagina nuttig?